In 2025 actualiseerde de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) de multidisciplinaire richtlijn 'Vaginale Kunstverlossing’ modulair. De KNOV nam samen met de Patiëntenfederatie Nederland (PFN) deel aan deze actualisatie. Op enkele aanbevelingen uit deze richtlijn heeft de KNOV een formeel bezwaar gegeven. Op de rest van de richtlijn geeft het KNOV-bestuur een formele verklaring van geen bezwaar.
Je vindt de richtlijn hier.
Wat is nieuw of anders?
- Voorlichting over vaginale kunstverlossing (Organisatie van zorg)
- Preventie van een vaginale kunstverlossing
- Snelheid aanleggen van het vacuüm
- Fundusexpressie
- Profylactische toediening antibiotica
- Loslaten van de cup
- Mentale/psychische nazorg na een vaginale kunstverlossing (organisatie van zorg)
- Startpagina – inleiding Modulaire actualisatie richtlijn Vaginale kunstverlossing
Bezwaar tegen enkele aanbevelingen
De KNOV maakt formeel bezwaar tegen een aantal aanbevelingen in de nieuwe en geactualiseerde modules en geeft daarbij advies over de inrichting hiervan. Het gaat om de volgende modules:
Module: Preventie van een vaginale kunstverlossing
Aanbeveling 1: “Bespreek met zwangeren dat continue begeleiding mogelijk een lagere kans geeft op een vaginale kunstverlossing.”
Reactie: Formeel bezwaar
Onderbouwing: Hoewel de KNOV het belang van continue begeleiding onderschrijft, achten wij deze aanbeveling in de huidige formulering niet uitvoerbaar in de praktijk. De mogelijkheid tot continue begeleiding is afhankelijk van structurele en organisatorische factoren binnen het zorgsysteem en valt buiten de invloedsfeer van de individuele zwangere en haar zorgverlener. Het bespreken van deze mogelijkheid creëert een verwachting die in veel gevallen niet waargemaakt kan worden, vanwege het ontbreken van structurele personele en financiële voorwaarden, zoals in de richtlijn zelf ook staat beschreven (p.28). Wij adviseren deze aanbeveling te herformuleren naar een algemene oproep voor een breed gesprek over dit maatschappelijke onderwerp wat dringend aandacht behoeft.
Aanbeveling 2: “Bespreek met barenden zonder EDA om tijdens de uitdrijvende fase een verticale positie of zijligging aan te nemen, omdat dit mogelijk de kans op een vaginale kunstverlossing verkleint.”
Reactie: Formeel bezwaar
Onderbouwing: Het perspectief lijkt gekanteld in deze aanbeveling: feitelijk is de rugligging de interventie en vergroot deze houding de kans op een vaginale kunstverlossing. Vooral pleit de KNOV voor actieve ondersteuning door de zorgverlener bij het aannemen van een houding die aansluit bij de behoeften van de barende in plaats van het enkel bespreken van houdingen. Het faciliteren van bewegingsvrijheid en het ondersteunen van houdingsveranderingen draagt immers meer bij aan het minderen van interventies dan het enkel bespreken van de mogelijkheden.
Aanbeveling 3: “Bespreek met barenden met EDA dat er geen specifieke voorkeur in houding is om een vaginale kunstverlossing te voorkomen.”
Reactie: Formeel bezwaar
Onderbouwing: Ook bij het gebruik van EDA is het van belang dat barenden actief gefaciliteerd worden in het aannemen van alternatieve houdingen, zoals zijligging of een halfzittende positie. De huidige formulering van de aanbeveling kan de indruk wekken dat houding geen rol speelt, terwijl het ondersteunen van variatie in baringshoudingen bijdraagt aan een positieve bevalervaring en verminderen van interventies. Wij adviseren de aanbeveling aan te passen met nadruk op het actief ondersteunen van houdingsvariatie, ook bij EDA-gebruik.
Module: Voorlichting over vaginale kunstverlossing (Organisatie van zorg)
Aanbeveling 1: “Informeer primigravida in de zwangerschap en bij voorkeur in het 3e trimester over de kans op een vaginale kunstverlossing en de uitvoering hiervan.”
Reactie: Formeel bezwaar
Onderbouwing: Wij maken bezwaar tegen deze aanbeveling vanwege het risico op het nocebo-effect. Wij adviseren terughoudendheid in het communiceren van risico's zonder directe aanleiding en handelingsperspectief en pleiten voor een passende, individuele benadering in de voorlichting.
Beoordeling rest van de modules
Het bestuur van de KNOV heeft de richtlijn zorgvuldig beoordeeld vanuit het perspectief van de verloskundige zorg. De richtlijn betreft in overwegende mate zorg die plaatsvindt in de tweede lijn. Gezien het specialistische karakter van de aanbevelingen en het feit dat de richtlijn geen directe implicaties heeft voor de verloskundige praktijkvoering, heeft het bestuur besloten om de richtlijn in formele zin niet te autoriseren.
Wel wil het bestuur formeel aangeven geen bezwaar te hebben tegen de inhoud van de richtlijn en geeft zij een formele ‘verklaring van geen bezwaar’ af. De KNOV vertrouwt erop dat de richtlijn bijdraagt aan juiste en waardegedreven zorg voor de zwangere met een dreigende vroeggeboorte binnen de medisch-specialistische zorg.