KNOV Winkelmandje (0) Menu

“Wat kan bij de verloskundige, wat moet bij de medisch specialist"

19 november 2013

Interview met KNOV voorzitter Linda Rentes over integrale zorg en de positie van de verloskundigen. Dit was een belangrijk onderwerp op de Algemene Ledenvergadering van afgelopen 15 november. Linda Rentes gaat aan de hand van een aantal vragen hier nader op in.


Wat is uit het bestuurlijk overleg met de NVOG over integrale zorg gekomen?

Begin september hebben we samen met de NVOG intensief overlegd over wat we verstaan onder integrale zorg en waar we naar toe willen. Daar zijn een aantal werkbare afspraken uit voortgekomen waar we gezamenlijk mee aan de slag gaan.

En we spraken ook over zaken waar we het niet over eens zijn. Een daarvan is de vraag of wij als verloskundigen formeel verantwoordelijk moeten blijven voor de eerste risicoselectie en dus voor de verwijzing naar een medisch specialist. Dit staat los van de uitdaging om de samenwerking tussen verloskundigen en gynaecologen verder te verbeteren en elkaars expertise beter te gebruiken.

Wat was daarop de reactie van de KNOV?

Onderbouwd door onderzoek vinden we dat verloskundigen de risicoselectie moeten blijven doen. Dat is niet alleen goed voor de kwaliteit maar ook doelmatig. Het zorgt ervoor dat de juiste professional ingezet wordt op het juiste moment en op de juiste plaats tegen lagere kosten. Zowel de recente Cochrane review over Midwifery-led care versus het model van Shared care als het onderzoek van Pien Offerhaus laten zien dat voor gezonde zwangeren de uitkomsten niet beter zijn als er meer verwezen wordt dus waarom zou je het dan doen.

Als KNOV staan we er voor dat de zorg afgestemd is op de individuele behoefte van de cliënt en dat dit optimaal georganiseerd is en er goed samengewerkt wordt in de keten.

Maar hoe ziet integrale zorg er dan in de toekomst uit?

Dat moet nog uitkristalliseren en vooral ook getoetst worden. De organisatie en financiering van integrale zorg willen we zorgvuldig in een aantal pilots uitproberen. Waarbij het doel is betere uitkomsten en meer tevreden cliënten.

Dit pleit volgens de KNOV voor zorgvuldigheid en niet ongefundeerd het bestaande systeem aanpassen (risico van baby en badwater). En het pleit dus niet voor de NVOG optie: snel overgaan op een systeem waarvan onduidelijk is of dit ook zorgt voor betere uitkomsten.

Zijn er al voorbeelden van hoe integrale zorg goed werkt?

Niet iedereen heeft hetzelfde beeld bij integrale zorg. In de regio’s zien we een aantal goede voorbeelden van integrale zorg, maar we zien ook vormen van samenwerking die van integrale zorg intramurale zorg maken met de gynaecoloog aan het roer.Lokaal worden er allerlei afspraken gemaakt over organisatie en inhoud die de risicoselectie door verloskundigen ondermijnt. Dat is niet de gewenste situatie.

Wat moeten verloskundigen doen om dit te voorkomen?

Dat vraagt alertheid, goede voorbereiding en vooral eensgezindheid in de lokale processen naar integrale zorg. Samenwerken in de keten en de autonome positie bewaken vergt veel van verloskundigen. Makkelijk is het niet, dat ervaren wij als KNOV ook.Maar wij zien dat steeds meer accent wordt gelegd op de lokale processen, op de lokale onderhandelingen.Het gaat dan om afspraken gericht op samenwerking in de verloskundige keten vooral in VSV verband. Het is lang niet altijd vanzelfsprekend dat die afspraken uitgaan van het adagium “wat kan bij de verloskundige en wat moet bij de medisch specialist”. Dat weten we allemaal. Wij weten ook allemaal dat juist in deze processen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop die samenwerking gestalte krijgt. Het belang voor de positie van de verloskundige kan dan direct aan de orde zijn. En daar moeten wij ons heel goed van bewust van zijn als we lokaal de gesprekken ingaan.

Welke organisatievorm hoort daarbij?

Behalve afspraken over de inhoud wordt lokaal inderdaad ook gesproken over nieuwe organisatievormen. Hiervoor komt geen universele blauwdruk. Maar dat wil niet zeggen dat bij de uitwerking niet een aantal uitgangspunten in acht moet worden genomen. Het belangrijkste uitgangspunt is: “wat kan bij de verloskundige en wat moet bij de medisch specialist”.Taakherschikking en substitutie van zorg van specialist naar klinisch verloskundige, van klinisch verloskundige naar verloskundige in de wijk of naar O&G verpleegkundige en taakherschikking van verloskundige naar kraamverzorgende. Dit alles om de zorg rond de cliënt zo goed en doelmatig mogelijk in te richten en af te stemmen op haar zorgvraag. Dit ligt in lijn met het zogenaamde “Zorgakkoord” dat de minister voor 2014 en 2015 met zorgsectoren heeft gesloten. Dit akkoord zegt ook: versterk de zorg dicht bij de mensen en ontlast de ziekenhuiszorg.

Hoe zit het met de toekomstige financiering eruit?

We kijken uiteindelijk we ook lokaal naar alternatieven voor de betaling van de geleverde zorg. De dominante lijn hierin - op dit moment - is die van integrale bekostiging. Op basis van de verwachte zorgvraag en naar wordt aangenomen de historische prijzen en kosten voor wat betreft de verloskunde, wordt er een lumpsum vastgesteld in een overleg met de zorgverzekeraar. Een lumpsum die vervolgens weer moet worden toegedeeld aan de in de keten deelnemende professionals en sectoren. En ook hier zal een analyse van geleverde en te leveren zorg per onderdeel tegen een bepaalde prijs de basis moeten zijn voor de verdeling ervan.

Hoe gaat de KNOV de verloskundigen daarin ondersteunen?

In het beleidsplan 2014 staat een aantal speerpunten die er toe doen. De inzet voor 2014 is vooral gericht op de verdere uitvoering van onze visie op de verloskundige zorg. De vier thema’s daarin zijn het nieuwe beroepsprofiel en het beroepsprofiel voor de klinisch verloskundigen, integrale zorginhoud, integrale zorgmodellen en integrale zorgbekostiging. Juist in de visie komt dus taakherschikking en substitutie van zorg aan de orde. Waar het bottum line op neer komt is dat alle zeilen moeten worden bijgezet om de verwijscijfers omlaag te krijgen.

Hoe staat het met de uitwerking van de thema’s uit de visie?

De beroepsprofielen die in 2013 zijn vastgesteld door de ALV, vragen in 2014 nadere uitwerking. Wat de ontwikkeling naar integrale zorg betreft wordt ingezet op uitvoering van een aantal pilots waarin wordt geëxperimenteerd met meerdere varianten voor integrale zorg en integrale bekostiging.

Wat gaat de KNOV nog meer in 2014 doen?

Het bestuur is van mening dat de ontwikkelingen met betrekking tot onze positie in een cruciale fase verkeren.In de context van die cruciale fase stellen wij voor op een achttal thema’s ons vermogen aan te spreken. Deze thema’s raken stuk voor stuk de positie van de verloskundige en het verlagen van het verwijscijfer. Zoals de ontwikkeling van instrumenten voor de implementatie van de continue begeleiding en een hernieuwd onderzoek naar het basistakenpakket en de daarbij te meten tijdsbesteding. Deze extra injectie wordt belegd in de werkorganisatie met toezicht op de voortgang bij het bestuur. Daarnaast zijn er uiteraard veel lopende zaken die tijd en aandacht vragen. Dit opnieuw met de kanttekening dat die onderwerpen die raken aan de cruciale ontwikkeling altijd voorrang moeten krijgen.

Deel via:

  • Facebook
  • Twitter
  • Twitter
  • E-mail

Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen

Beroepsorganisatie van en voor verloskundigen

Word lid

Contact

Bel 088 888 39 99 of mail info@knov.nl

Bereikbaar van ma t/m vrij 9.00-17.00 uur