KNOV

“De geboorte van een kind is ook de geboorte van een moeder. Zij heeft haar innerlijke kracht ontdekt.”

Verloskundige indicatielijst

De KNOV, de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) zijn samen verantwoordelijk voor het Verloskundig Vademecum 2003 (zie onderaan deze pagina). Deze gids wordt door de besturen van deze drie beroepsverenigingen beschouwd als zwaarwegend advies aan hun leden bij zowel de individuele verloskundige hulpverlening als bij de samenwerking met de andere zorgverleners die zijn betrokken bij de verloskunde.

Een belangrijk onderdeel van het Vademecum is de multidisciplinaire richtlijn 'Verloskundige Indicatie Lijst' (VIL). Dit is een hulpmiddel om risicoselectie in de verloskunde in goede banen te leiden. De indicatielijst geeft aan bij welke indicatie een eerstelijns verloskundige of een (verloskundig actieve) huisarts een cliënt doorstuurt naar een gynaecoloog

Het Verloskundig Vademecum bevat verder adviezen en beleidsvoornemens om de samenwerking te bevorderen en een gemeenschappelijk kwaliteitsbeleid te ontwikkelen op diverse terreinen van de verloskundige zorg zoals het verwijsbeleid, indicaties voor echoscopisch onderzoek, toetsing van de perinatale zorg via perinatal audits, kwaliteitseisen aan de beroepsuitoefening en samenwerking.


Gezamenlijk standpunt KNOV-NVOG inzake verlengde arm constructie
De zogenaamde 'Verlengde arm' constructie: een structureel voorkomende situatie waarbij de eerstelijns verloskundige de bevalling begeleidt bij een zwangere met een medische indicatie voor een klinische partus, zoals beschreven in de Verloskundige Indicatie Lijst (VIL), is verouderd. De KNOV en NVOG hebben in juni 2007 hun standpunt (zie onderaan deze pagina) hierover gezamenlijk herbevestigd.

De verantwoordelijkheden zijn in deze 'verlengde arm' dusdanig diffuus dat de NVOG en de KNOV dit een onwenselijke situatie achten voor alle partijen. Dat wil zeggen voor zowel de cliënt, de gynaecoloog als de eerstelijns verloskundige hulpverlener. Dit wordt mede veroorzaakt doordat niet aan de delegatiecriteria wordt voldaan.

Situaties waarbij sprake is van een medische indicatie voor een klinische bevalling onder verantwoordelijkheid van de gynaecoloog zijn duidelijk omschreven in de VIL welke door alle betrokken beroepsgroepen in 2003 via de beroepsverenigingen is aanvaard. Zowel de NVOG als KNOV wijzen daarom de zogenaamde 'verlengde arm’ als werkconstructie af.

PRINT DIT ARTIKEL OF STUUR HET DOOR

Mail een vriend