KNOV

“Het mooie van het vak verloskunde is dat je een belangrijke gast bent bij een groots, intiem gebeuren”

Reanimatie pasgeborene

De KNOV heeft in 2009 haar standpunt herzien over de reanimatie van de pasgeborene in de thuissituatie of vergelijkbare omstandigheden. Dit standpunt is gebaseerd op de NVK richtlijn “reanimatie van pasgeborenen” en aangepast aan de specifieke omstandigheden die de thuissituatie met zich mee brengt.

Een belangrijk onderwerp in het KNOV-standpunt is het beademen van de asfyctische pasgeborene. Om voor een adequate beademing in de thuissituatie te kunnen zorgen, moet een beademingsballon voldoende volume hebben om de longen te kunnen ontplooien. Daarvoor moet de ballon een volume hebben van 450 tot 500 ml. In eerste instantie beademt u met omgevingslucht. Wanneer de pasgeborene onvoldoende daarop reageert, gaat u over tot beademing met extra zuurstof, en een flow van 3 liter per minuut.

KNOV-ondersteuning
De KNOV heeft ook een toetsprogramma 'Samenwerking met de ambulancezorg’ ontwikkeld waarmee een groep Intercollegiale Toetsing Verloskundigen (ITV) zich kan voorbereiden op een zo optimaal mogelijke samenwerking met de ambulancezorg. Het toetsprogramma bevat handvatten hoe dit onderwerp in een toetsgroep te bespreken en daarnaast ook achtergrondinformatie.

Leden van de KNOV kunnen zich informeren over ITV en toetsprogramma’s op de ledenpagina Ondersteuning bij Intercollegiale Toetsing Verloskundigen.

Aanvulling materialen voor reanimatie
In het standpunt ‘Reanimatie van de pasgeborene in de thuissituatie of vergelijkbare omstandigheden 2009’ (zie onderaan de pagina) zijn een paar onvolkomenheden gesignaleerd met betrekking tot de materialen. Het betreft bijlage 1 waarin de benodigde materialen worden genoemd

Uitzuigcatheters
Als diameter van de uitzuigcatheters staat 8 of 10 F genoemd. Bij a terme pasgeborenen kunnen uitzuigcatheters met een diameter van 10 en 12 F(rench) of CH(arriere) gebruikt worden. 12 CH is een gangbare maat in de eerste lijn; deze is ook geschikt ingeval van meconiumhoudend vruchtwater. 

Overdrukventiel
In bijlage 1 staat ook vermeld dat de beademingsballon een overdrukventiel moet hebben en dat deze afgesteld moet zijn op 35 mmHg. Dit moet zijn: 35 tot 40 mmHg. (zie ook de NVK richtlijn ‘Reanimatie van pasgeborenen’, te downloaden van www.nvk.pedianet.nl).

PRINT DIT ARTIKEL OF STUUR HET DOOR

Mail een vriend